Van Ladder van Lansink naar de R-ladder
De traditionele Ladder van Lansink – met de bekende volgorde preventie, hergebruik, recycling, andere nuttige toepassing, verbranden en storten – is inmiddels verouderd als leidend kader. In het huidige Nederlandse afval- en circulariteitsbeleid wordt daarom veelal gewerkt met de R-ladder.
De R-ladder is een negenstapsmodel dat aangeeft hoe waardevol een bepaalde verwerkingsroute is. Hoe hoger een strategie op de ladder staat, hoe liever deze vanuit circulariteitsoogpunt is. Bij gevaarlijk afval geldt ook hier: kies zo hoog mogelijk op de ladder, tenzij veiligheid, technische haalbaarheid of milieurisico's een lagere stap noodzakelijk maken.
- R1 Refuse / Rethink – voorkom het ontstaan van afval door productkeuze of procesaanpassing
- R2 Reduce – gebruik minder grondstoffen of gevaarlijke stoffen
- R3 Reuse – hergebruik producten of verpakkingen in hun oorspronkelijke vorm
- R4 Repair – repareer producten in plaats van ze weg te gooien
- R5 Refurbish – vervang onderdelen om producten weer geschikt te maken
- R6 Remanufacture – bouw producten volledig opnieuw op
- R7 Repurpose – geef een product een andere functie
- R8 Recycle – verwerk afval tot nieuwe grondstoffen of producten
- R9 Recover – win energie terug waar hergebruik of recycling niet mogelijk is
Afvalhiërarchie in de Wet milieubeheer
Hoewel de R-ladder het gangbare praktijk- en beleidskader is, kent de Wet milieubeheer formeel nog de afvalhiërarchie. Dat betekent dat u bij elke keuze voor voorbereiding tot hergebruik, recycling of verwijdering moet kunnen onderbouwen waarom een lagere optie is gekozen. Voor gevaarlijk afval is die onderbouwing vaak: veiligheid en milieubescherming staan voorop.
Mengverbod en zorgplicht
Gevaarlijke afvalstoffen mogen niet worden gemengd met andere categorieën afval of met niet-afvalstoffen, tenzij daarvoor uitdrukkelijk een vergunning is verleend.
Praktische hulp nodig?
Vraag via het contactformulier advies aan voor uw specifieke situatie.